“Drie rozenkransjes en een weesgegroetje
mijn zoon. En in ’t vervolg wel handjes thuis.
Schenk ook wat minder aandacht aan het kruis.
En geen: “Ja maar het celibaat, wat moet je.”
Ik heb de Bijbel heel goed doorgenomen.
’t Is: Laat de kinderen tót, niet mét mij komen.”